Geschiedenis van de VVD
1814 kan gezien worden als het begin van de geschiedenis van het politieke liberalisme in Nederland. Met de nieuwe Grondwet van de liberaal Gijsbert Karel van Hoogendorp wordt een eerste stap gezet op weg van de parlementaire democratie. In het midden van de negentiende eeuw geeft de liberaal Johan Rudolf Thorbecke vorm aan onze staatsinrichting. Zijn ideeën vormen nog steeds de basis voor de Grondwet, Gemeente- en Provinciewet. Het waren ook de liberalen die de grondslag hebben gelegd voor de opbouw van de sociale wetgeving. Een belangrijk doorbraak was het Kinderwetje van de liberaal Sam van Houten, waarmee een eind kwam aan de kinderarbeid.
De liberale partijvorming begint aan het einde van de negentiende eeuw. In 1885 wordt de Liberale Unie opgericht. Zoals alle politieke stromingen in het begin van deze eeuw kende ook de liberalen een aantal splitsingen. In 1901 keert een groep de Liberale Unie de rug toe en verenigt zich in de Vrijzinnig-Democratische Bond. Deze organisatie, onder leiding van Oud, blijft bestaan tot 1941. De Liberale Unie smelt in 1921 met enkele andere liberale partijen samen tot de Vrijheidsbond. Na een verkiezingsnederlaag in 1937 wordt de naam gewijzigd in De Liberale Staatspartij De Vrijheidsbond. Ook deze partij wordt door de Duitse bezetters in 1941 verboden.
Na de bevrijding in 1945 gaan de vrijzinnig-democraten van Oud op in de Partij van de Arbeid. De leden van de Liberale Staatspartij herdopen de partij in De Partij van de Vrijheid. Als snel gaan de vrijzinnig-democraten en de liberalen op zoek naar samenwerking. De politieke leiders Oud en Stikker onderhandelen over het oprichten van een nieuwe liberale partij. Op 24 januari 1948 wordt de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie opgericht. Tijdens de oprichtingsvergadering hamert Oud erop dat het liberalisme de drager van de vooruitgang is.
Binnen de VVD is dan ook veel plaats voor jong talent. Begin jaren zeventig wordt de nog geen dertig jaar oude Hans Wiegel voorzitter van de Tweede Kamerfractie. Hij voert een sterke oppositie tegen het kabinet Den Uyl. De verkiezingen van 1977 leveren winst op voor de VVD. Ondanks de langdurige onderhandelingen tussen PvdA en CDA en publieke uitspraken van de socialistische premier dat 'het tweede kabinet Den Uyl er toch komt', is het de VVD die in 1977 samen met het CDA het kabinet vormt. Wiegel wordt als fractievoorzitter opgevolgd door de jonge Ed Nijpels. Hij leidt de VVD in 1982 naar een grote verkiezingsoverwinning. De Tweede Kamerfractie groeit naar 36 zetels. De partij krijgt het echter moeilijk. Interne spanningen en moeizame coalitieverhoudingen met het CDA tasten de populariteit van de partij aan. Desalniettemin is deze periode zeer belangrijk geweest. In de kabinetten met het CDA in de jaren zeventig en tachtig leggen de VVD-bewindslieden de basis voor het op orde komen van de overheidsfinanciën.
Vanaf 1990 komt de VVD weer uit het dal. Onder leiding van fractievoorzitter Frits Bolkestein wordt de groei ingezet. In 1994 onderhandelt Bolkestein succesvol met PvdA en D66. Het eerste zogenaamde paarse kabinet treedt aan. Het succes van dit kabinet wordt ook vertaald in stembussucces. Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in maart 1995 wordt de VVD zelfs voor het eerst de grootste partij van het land. In 1998 haalt de VVD 38 zetels bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer. De Tweede Kamerfractie is nog nooit zo groot geweest.
De liberale beginselen
In de beginselverklaring van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie staan de beginselen vrijheid, verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid, sociale gerechtigheid en de gelijkwaardigheid van alle mensen centraal. Artikel 1 van de Beginselverklaring van de VVD, vastgesteld in 1980, luidt:
"De grondslag van de VVD:
De Volkspartij voor Vrijheid en Democratie staat als liberale partij open voor een ieder die de overtuiging heeft, dat vrijheid, verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid, sociale gerechtigheid en de gelijkwaardigheid van alle mensen de fundamenten behoren te zijn van elke samenleving. De beginselen die uit deze overtuiging voortvloeien, aanvaardt zij als grondslag voor haar politiek."
Hieronder worden de peilers van het liberalisme nader uitgewerkt:
Vrijheid:
Een zo groot mogelijke vrijheid van de mens, zowel in geestelijk, staatkundig als in materieel opzicht, is naar de mening van de VVD een onmisbare voorwaarde voor zijn ontplooïng. Deze vrijheid komt ieder mens toe zonder enige vorm van discriminatie.
Bij het gebruiken van die vrijheid moet de mens zich verantwoordelijk weten voor zijn medemensen, die even zeer recht hebben op een zo groot mogelijke vrijheid. De vrijheid van één mag de vrijheid van de ander dus niet belemmeren. Daar ligt de grens. Tevens moet hij rekening houden met de belangen van toekomstige generaties.
Verantwoordelijkheid:
Vrijheid is geen onbeperkte vrijheid. Volgens liberalen kan vrijheid slechts worden beleefd in het besef van verantwoordelijkheid. Individuele verantwoordelijkheid is een onderdeel van de menselijke waardigheid. Een mens behoort de gevolgen van zijn daden zelf te dragen.
Het streven naar sociale gerechtigheid mag derhalve niet leiden tot verdwijning van het besef van die verantwoordelijkheid. Dit laat onverlet dat zij die zichzelf niet kunnen redden geholpen moeten worden.
Verdraagzaamheid:
Verdraagzaamheid is onverbrekelijk verbonden met het begrip vrijheid. De ware vrije mens laat ook anderen vrij in geloofsbelijdenis, levensbeschouwing, meningsuiting en gedrag; hij erkent de mogelijkheid van overheidsingrijpen indien de grenzen van het maatschappelijk toelaatbare worden overschreden. In groter verband geldt deze verdraagzaamheid ook ten opzichte van democratische minderheden en tussen geestelijke en sociale groepen onderling. Als consequentie hiervan verwerpt de VVD de klassenstrijd en de terreur van minderheden of meerderheden. Mensen kunnen slechts in gemeenschapsverband leven. De uit dit gemeenschapsverband voortvloeiende gebondenheid is geen beperking van de vrijheid, maar een onmisbare voorwaarde om de vrijheid van iedereen te verzekeren. Het is de taak van de overheid om mate en vorm van deze gebondenheid te bepalen. Hierbij zal echter steeds het waarborgen van een zo groot mogelijke geestelijke, staatkundige en maatschappelijke vrijheid voor allen voorop moeten staan.
Sociale Gerechtigheid:
Sociale gerechtigheid dient door de overheid te worden bevorderd door het scheppen van gelijke kansen voor iedereen en het verstrekken van bijstand aan hen, die deze nodig hebben. In de maatschappij bestaan nu eenmaal ongelijke voorwaarden en ongelijke mogelijkheden voor individuele burgers.
Deze ongelijkheid moet zoveel mogelijk worden opgeheven. Gelijke ontwikkeling- en ontplooiingskansen voor iedereen is vanouds een liberaal verlangen. Het zijn liberalen geweest die begonnen zijn met de bouw van de sociale wetgeving.
Gelijkwaardigheid:
Mensen zijn niet gelijk, wel gelijkwaardig. Een ieder dient de mogelijkheid te hebben zich naar eigen kunnen en wil te ontplooien. Ieder mens heeft recht op vrijheid in geestelijk, staatkundig en materieel opzicht ongeacht zijn geestelijke overtuiging, huidskleur, nationaliteit, seksuele geaardheid, geslacht of maatschappelijke positie. Discriminatie is dan ook uit den boze.